Anton van der Hoeven (die op Britse en Duitse websites merkwaardigerwijs Anton van den Hoeven wordt genoemd) werd in 1940 in Rotterdam geboren. Hij heeft daar de Kunstacademie doorlopen en kreeg daarna privélessen van de schilder Jan van Well (1937) die gespecialiseerd is in de weergave van fantastische wolkenluchten.
Geheel in lijn met zijn leermeester schildert Anton van der Hoeven fraaie en transparante Hollandse luchten die op het eerste gezicht een Anton Pieck-achtige knusheid oproepen. Maar kijk je wat beter, dan zie je op zijn doeken en panelen fijn getekende schaatsers, die stuk voor stuk op Jeroen Bosch-achtige gedrochten lijken. Ze zijn gebocheld en hebben merkwaardige kuiten die bijna op exploderen staan.
Niet omdat Van der Hoeven inhoudelijk of symbolisch iets met Bosch te maken heeft — de winterlandschappen van Van der Hoeven zijn vrij van allegorie, van moraal, van een verwijzing naar het hiernamaals. Maar de vormgeving van zijn figuren roept onmiskenbaar iets op van die vreemde, licht groteske mensfiguurtjes die door Bosch’ panelen strompelen: korte benen, grote rompen, wat plompe houdingen. Gezichten zijn nauwelijks individueel uitgewerkt. Beweging telt zwaarder dan anatomische correctheid. Ze lijken soms op het randje van karikatuur te balanceren — net als bij Bosch, die ook types schilderde in plaats van individuen.
Anders dan bij Jeroen Bosch zijn ze geen dragers van morele betekenis, van religieuze lading, van een symbolisch universum. Bij Van der Hoeven zijn ze er om het landschap te laten leven — niet om het over te nemen.
Conform de tradities van de 19e eeuwse Hollandse School toont Van der Hoeven zijn schaatsers altijd van de rugzijde, terwijl ze over het donkerblauwe ijs voortglijden. Ze zwoegen vooral, slepen takkenbossen achter zich aan of duwen zwaarbeladen sleden voor zich uit en lijken weinig plezier te beleven aan het schaatsen.
De zwaartekracht van Moeder Aarde trekt op zijn schilderijen alles naar beneden: de diep voorovergebogen mensen, de vogels die laag over de grond scheren, de bomen waarvan de takken neerwaarts groeien en ook de huizen die steevast op instorten lijken te staan. Zelfs de kerktoren in de verte doet moeite om overeind te blijven staan.

