Ik waardeer schilders die hun naam netjes onder hun kunstwerk zetten. Dat schept duidelijkheid en uiteindelijk hebben we daar allemaal behoefte aan.
Helaas was Charles Augustin Wauters een regelrechte chaoot, althans zo deed hij zich voor.
Voor een speurneus, zoals ik, is het ronduit vervelend als een schilder een janboel maakt van zijn handtekening. Je krijgt namelijk de indruk dat er verschillende schilders met die naam rondliepen, waardoor je je eigen schilderij, met zijn naam eronder, niet kunt thuisbrengen.
De ellende begint al met de naam zelf. De ene keer noemt hij zich ‘Wauters’ — de Franse spelling. Dan weer ‘Wouters’ — de Vlaamse variant. Met als gevolg dat beide namen steevast opduiken in veilingcatalogi, tentoonstellingslijsten en kunstkritieken, ogenschijnlijk door elkaar, alsof de man zelf niet precies wist wie hij was.
Hij maakte het nog bonter met zijn voornamen. Soms signeerde hij met een C., dan met Ch. of voluit Charles. En af en toe gebruikte hij zelfs de combinatie C.Ch.A. — alsof hij had besloten zijn volledige doopnaam in één handtekening te proppen. Als klap op de vuurpijl zette hij die letters afwisselend in sierlijke krullende schriftletters, dan weer in strakke blokletters. Of cursief.
Consistentie was kennelijk niet zijn sterkste punt.
Ook over zijn geboortejaar bestaat geen overeenstemming. Menig kunsthistoricus meldt dat hij in 1808 in Mechelen geboren is, weer anderen noemen 1809 of 1811 als geboortejaar. Alsof de naamsverwarring en onzekerheid over zijn geboortejaar nog niet genoeg waren, schilderde Wauters ook in uiteenlopende genres die nauwelijks op elkaar lijken: klassieke taferelen uit de Oudheid, heiligenlevens, landschappen, portretten…
Wie dus zijn naam kent van de grote religieuze doeken in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen, of van zijn historische composities op de salons in Gent en Brussel, herkent zijn schilderstijl niet direct in dit ingetogen winterlandschap met jagers.
De verwarring wordt nog erger. Wauters blijkt namelijk nog talrijke, al dan niet kunstzinnige, naamgenoten te hebben die ongewild een forse bijdrage leveren aan alle onzekerheden. Zoals Charles Joseph Wouters (1798–1881) — edelman, politicus, iemand met een grote kunstverzameling. Of de schilderende gendarme Karel Wouters (1892–1965), broer van de befaamde grootheid Rik Wouters.
Wie op zoek gaat naar de maker van mijn fraaie winterse jachtscène, kan dus hopeloos verzeild raken in een namen-circus. Een crime voor kunstliefhebbers, een paradijs voor vervalsers.
Het mag dan ook een wonder heten dat ik na veel zoekwerk toch de juiste persoon gevonden heb. Want pas dan kan het eigenlijke verhaal beginnen, zijn levensverhaal. Zo’n biografie begint, zoals het hoort, bij het begin. Hij maakte er een warboel van, maar ik herstel de orde. En houd het kort:
Charles Augustin Wauters werd (hoogstwaarschijnlijk) op 23 april 1808 geboren in Boom, een kleine gemeente in de provincie Antwerpen. Al als twaalfjarige knaap werd hij toegelaten tot de Academie in Mechelen. Geen bescheiden begin: hij kaapte er verscheidene eerste prijzen weg. Na zijn Mechelse vorming vervolgde Wauters zijn studie aan de Academie van Antwerpen, onder de gevierde schilder Mathieu Van Bree (1773–1839). Ook hier behaalde hij eerste prijzen ‘in tekening naar de natuur, historische composities, anatomie en perspectief’ — een brede, academische vorming die hem klaarstoomde voor het grote werk. En waarschijnlijk de basis legde voor zijn veelzijdigheid (en de verwarring bij mij en vele anderen).
We blijven de jaartallen als houvast gebruiken: in 1832 nam Wauters deel aan de Prijs van Rome, een destijds zeer prestigieuze kunstcompetitie tussen kunstenaars in België. Hij eindigde als tweede, maar de teleurstelling weerhield hem er niet van een Italië-reis te ondernemen. Van die reis is een schetsboek bewaard met prachtige tekeningen van Florence, gedateerd in de zomer van 1842.
Teruggekomen in België bleef hij prijzen winnen, o.a. met werken als ‘Dante, Petrarca en Giotto’. Het hoogtepunt volgde op 22 september 1849, toen koning Leopold I een Antwerpse tentoonstelling bezocht, waar Wauters exposeerde. Zo gegrepen was hij door Wauters’ schilderij ‘Rafael in het Vaticaan’, dat hij hem persoonlijk het ridderkruis in de Leopoldsorde uitreikte. Een zeldzame, koninklijke erkenning.
Wauters schopte het ver. Uiteindelijk werd hij directeur van de Mechelse Academie — een positie die hem stevig verankerde in het sociale en culturele weefsel van de stad. Als directeur had hij toegang tot het lokale patriciaat en de adel, de sociale kring waarvan hij particuliere opdrachten ontving.
Het (hier getoonde) winterlandschap met jagers en honden, rechtsonder gesigneerd ‘Ch. Wouters‘, is hiervan een sprekend voorbeeld.
Het werk moeten we dateren in de periode 1845–1860. De figuren dragen namelijk de voor die tijd kenmerkende lange donkere jassen en hoge cilindervormige hoeden. De geweren zijn lange voorlaadgeweren — achterlaadgeweren werden pas na 1865 gemeengoed. De centrale figuur op het schilderij— een oudere man met baard, dominant maar niet theatraal weergegeven — heeft (anders dan zijn begeleiders) individuele karakteristieken: hij is duidelijk geportretteerd, evenals de honden die met grote zorg individueel zijn weergegeven. Wauters brengt hier zijn adellijke opdrachtgever in beeld, iemand met ‘jachtrecht, omringd door zijn lievelingshonden. En met een pijp in zijn mond. Een betekenisvol detail.
Want in de 19e-eeuwse jachtcultuur van de Vlaamse en Brabantse adel hoorde de pijp vóór de jacht bij het vaste ritueel. Het was het moment van kalmte en bezinning vóór de actie begon — de honden zijn er, het gezelschap staat klaar, maar men haast zich niet. Juist die zelfbeheersing is de boodschap. Een man die rustig zijn pijp rookt terwijl de jacht op het punt staat te beginnen, laat zien dat hij niet gretig is, niet nerveus, niet opgewonden. Hij heeft de situatie volledig in de hand. Dat is een teken van ‘standing’.
De pijp had in deze periode ook een duidelijke statuslading. Goedkope kleipijpen waren volksvermaak; de gegoede burgerij en de adel rookten uit ‘meerschaum’ of porselein, soms voorzien van geschilderde taferelen — en niet zelden juist jachtscènes. Een pijp vóór de jacht is dus geen terloops detail, maar een zorgvuldig gekozen attribuut dat het personage aanzien verschaft.
Bovendien brengt de schilder hiermee niet de jacht zelf in beeld — de actie, het geweld, het geschreeuw — maar de serene aanloop ernaartoe. Het is de beeldtaal die de toeschouwer in 1850 onmiddellijk las als dit is een man van stand, op zijn terrein, in zijn element.
Terug naar de schilder. Charles Augustin Wauters overleed op 4 november 1869 in Mechelen. Na zijn dood werd ter ere van hem een herdenkingsmonument opgericht in de Sint-Andrieskerk te Antwerpen, waar ook twee van zijn doeken hangen.
Naschrift:
Volgens mij is dit het meest samenhangende verhaal dat over het leven van deze ‘veelzijdige’ kunstenaar is geschreven. Je kunt het er niet van aflezen, maar het was een heuse queeste om dit boven water te krijgen.

