Er beweegt niets, er is geen mens te zien. Boven de woonwagen zien we een hemel van zwaar grijs. Piet Lippens (1890-1981) heeft dit beeld zijn hele leven geschilderd. Van een paneeltje uit 1925 tot een sneeuwlandschap met zigeunerwagen uit 1976, toen hij inmiddels vijfentachtig was. Wie zijn leven kent, begrijpt die fascinatie met woonwagens.
Petrus René Lippens werd op 7 december 1890 in Gentbrugge geboren als negende kind van een voerman-handelaar. Omdat er thuis al acht monden te voeden waren, groeide hij op bij zijn grootouders in Wachtebeke. Op zijn elfde kon hij nog maar met moeite lezen en schrijven. Als veertienjarige vertrok hij voor het eerst naar Amerika, „zomaar om de wereld te zien”. Het bleef niet bij die ene keer. Elf keer stak hij de oceaan over, heen en weer geslingerd tussen dat „fantastische land” en heimwee naar huis. Hij was loopjongen, werkte in de mijnen, was boerenknecht in Frankrijk, ‘farmer’ in de Far West en trambestuurder in Chicago. In Amerika noemde hij zich ‘Mac Kelly’.
Ontdekkingsreis
Een van de mooiste verhalen over hem speelt zich af in Michigan Avenue in Chicago. Lippens reed er met zijn tram langs een etalage vol schilderijen. Hij bracht de tram tot stilstand, stapte uit en bleef een poosje kijken naar al die mooie dingen. Pas toen hij genoeg gezien had, zette hij de tram weer in beweging. Wat de passagiers ervan vonden, meldt het verhaal niet.
Ook toen hij zich in Gent als schilder had gevestigd, was hij steeds onderweg. Elk jaar doorkruiste hij op zijn fiets vreemde landen, om met nieuwe indrukken terug te keren naar zijn Gentse atelier. Na zijn huwelijk in 1929 woonde hij in het kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem, twee jaar later weer in Gent. In de Gentse bevolkingsregisters zijn later 23 verschillende adressen van hem geteld. Er waren tijden dat hij goed verkocht, en tijden dat hij tennisles moest geven in het Zuidpark om rond te komen. „Je suis un homme inquiet,” zei hij zelf. „Het leven houdt op wanneer men niet meer uit is op ontdekking.”
Reislust en heimwee
De woonwagen is dus geen toevallig motief. Het is het beeld van de zwerver, maar ook van een thuis dat je met je meeneemt. Het karakteriseert Lippens ten voeten uit, de man die altijd wegwilde en, eenmaal op weg, altijd heimwee had. Hij schilderde de woonwagens niet als kleurige zigeunerkampen, maar als stille, toegedekte onderkomens. Een columnist schreef in 1981 dat in die schilderijtjes alles in rust is, levend in geborgenheid. En zelfs de drogende was werd door geen wind wordt beroerd. Zo stil waren zijn schilderijen.
In het geboortejaar van Lippens, in 1890, werd in Kortrijk een andere ‘schilder van de intimiteit’, Hilaire Vanbiervliet geboren. Beiden gingen in Gent in de leer bij Jean Delvin, beiden stierven in 1981. Hun leermeester Delvin was een schilderachtige en paradoxale figuur. De Gentse kunstcriticus Pierre Kluyskens beschrijft hem aldus:
“Uiterlijk, als verschijning, in de omgang, bezat hij niets om zijn toehoorders te boeien, zeker niet de jeugd en nog veel minder de zgn. artistieke jeugd, de vrolijke wereld van de bohème. Hij was immers streng van voorkomen, bedeesd, koel, een aristocratisch asceet gehuld in een raafzwarte redingote. Hij was vrijgezel en leefde met zijn twee zusters in een huis aan de Rooigemstraat dat de stempel droeg van de plechtige bourgeois-interieurs van weleer; hij hield niet van vrouwen, hij dronk niet, hij rookte niet, hij hield van geen mop of lol, hij was voorzichtig, wantrouwig, eeuwig pessimist, steeds verzorgd gekleed, vijand van elke slordigheid, van laisser-aller in houding en kledij. Bovendien sprak hij traag, moeizaam, zocht naar zijn woorden en zijn stem was rouw en stroef; hij had een hekel aan de massa, aan het publiek, aan lofwoorden, manifestaties.
Aldus was hij fysisch, intellectueel en moreel als voorbestemd om nooit contact te zoeken met ’t publiek, om nooit in het onderwijs te treden, om nooit de jeugd te kunnen enthousiasmeren, en toch is deze leraar, deze directeur, 11 le patron 11 zoals men het fluisterde wanneer hij statig, aristocratisch, superieur zijn leslokaal vervoegde, het idool geweest van honderden jongeren, de leraar en opvoeder met een bijna miraculeus magnetisme.”
Twee schilders, één leermeester
De invloed van Jean Delvin op beide jonge schilders is onmiskenbaar. Wie de doeken van Lippens en Vanbiervliet naast elkaar zet, ziet de verwantschap meteen: een gedempt palet, zware kleuren, melancholie, en een bewuste keuze tegen modieuze kunststijlen, luminisme, kubisme of welk ander -isme dan ook, die zo geliefd waren waren bij de toenmalige kunstelite. Er zijn veel overeenkomsten tussen Lippens en Vanbiervliet, toch schilderden ze vanuit een andere kijk op de wereld.
Vanbiervliet werd aan het front gewond en de loopgravenoorlog maakte van hem een religieus schilder van de lijdende mens: de bedelaar, de blinde, het oude moedertje op weg naar een landelijk kerkje. Bij Lippens zijn de mensen bijna verdwenen. Hij schilderde wat overblijft: fabrieksmuren, kazernes, gevangenissen, een vervallen molen, een woonwagen in de sneeuw. Vanbiervliet verdiepte èn verloor zich in het landschap, Lippens’ blik stokte al bij het eerste obstakel.
Een man in werkpak
In de jaren twintig leek Lippens op weg naar erkenning. Hij exposeerde in Doornik en Gent, in Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland. In 1929 kocht het Gentse museum zijn grote doek Buitenwijk. Een Franse criticus prees zijn bijna metaalachtige somberheid. Toch werd hij nooit de lieveling van de kunstelite. Misschien zocht hij hun waardering ook niet. Een bewonderaar schreef dat een doek van Lippens niet thuishoort in een gouden lijst in een muf salon, maar bij iemand die zich door hand- of geestesarbeid nuttig wil maken. Het blad van de katholieke arbeidersjeugd beschreef hem in 1933 als een man in sporthemd en werkpak, die zich thuis voelde bij de arbeiders. Wie de verworpenen der aarde schildert, hun krotwoningen, hun gevangenissen, hun woonwagens, maakt geen salonkunst. Of, zoals hij het zelf zei: “Ik droom van paleizen en vervallen steden, ik hou van boeren en circusmensen, interessante mensen zijn mijn horizon.”
Die oriëntatie op de onderkant van de samenleving maakte hem niet geliefd bij de bovenkant. En wie drieëntwintig keer verhuist en elk jaar op de fiets de grens overgaat, bouwt bovendien geen vaste kring op van verzamelaars, critici en galeriehouders.
Toen hij negentig werd, brachten zijn schilderijen plots „een schoon prijsje” op. Enkele maanden later, op 11 april 1981, stierf hij in Gent. Op zijn laatste rustplaats op de Westerbegraafplaats staat op de grafsteen: “Vrij geboren, vrij geleefd, vrij gestorven”.
Naschrift:
Hij reisde bij leven van hot naar her, verhuisde in zijn vaderstad Gent eens in de zoveel jaar… In zijn rusteloze kunstenaarsbestaan zien we merkwaardigerwijs één thema steeds terugkeren: zijn fascinatie voor woonwagens. Afgebeeld in de lente, zomer, herfst en winter van zijn leven. Steevast keren ze terug op zijn doeken. Hieronder een verre van complete verzameling van zijn schilderijen rond dit thema.

