Het waren de hoogtijdagen van de winterlandschappen en in veel huiskamers hing wel ‘een wintertje’ aan de wand. In de 19e eeuw waren kunstenaars en publiek helemaal in de ban van dit genre, dat al ontstaan was in de ‘Gouden Eeuw’.
De eeuw daarna, tussen 1700 en 1800, waren de winterlandschappen even uit de mode, maar daarna werden ze opnieuw populair. Romantische winterschilders als B.C. Koekkoek, Andreas Schelfhout, Charles Leickert en Jan Jacob Spohler en zijn zoon Jacob Jan Coenraad Spohler waren, in de ogen van het publiek, grootheden die de 17e eeuwse meesters naar de kroon staken. Juist omdat ze aanleunden tegen de wereldberoemde Gouden Eeuw-schilders, waren deze 19e eeuwse navolgers niet alleen in ons eigen land zeer gewild, maar verkochten ze ook in het buitenland veel van hun kunstwerken.
Hun winterschilderijen, met daarop dichtgevroren rivieren, dreigende wolkenhemels, windmolens, koek en zopie-tenten en schaatsers, maakten internationaal furore. Zo hadden de bekende kunstenaarsfamilies Koekkoek en Hulk ook vestigingen in Londen.
De Nederlandse schilderkunst was kennelijk populair, maar opvallend is dat onze vaderlandse literatuur in het buitenland amper aandacht kreeg. De van oorsprong Limburgse schrijver Frans Erens (1857-1935), die in de Parijse salons frequent contact had met de grote Franse schrijvers van zijn tijd, had een verklaring. Ons land miste, volgens Erens, een ontzagwekkende natuur met rotsen, bergpartijen en snelstromende beken. Een oppermachtige natuur die de mens zijn wil oplegde, was volgens Erens een bron van inspiratie waar wij, Nederlanders, helaas niet over beschikten. Met deze analyse maakte hij zich overigens nogal impopulair bij de zelfingenomen Nederlandse literaire wereld.
Hoe anders was het met de vaderlandse schilderkunst gesteld: juist de internationaal wèl succesvolle Nederlandse schilders bewijzen het gelijk van Erens. Want op hun schilderijen is de natuur wel degelijk overweldigend aanwezig en dus heer en meester. Het gemis aan bergketens, rotsen en woest kolkende rivieren wordt ruimschoots gecompenseerd door de weergave, op bijna elk winterlandschap, van een imposante Nederlandse wolkenhemel die zich ook nog eens spiegelt in het ijs.
Kijk maar zelf. Allesoverheersend figureert het winterweer op dit kunstwerk van Jacob Jan Coenraad Spohler (1837-1922) die in een latere levensfase ook schilderde onder de naam ‘J. Corver’. Hij was telg van een echte schildersfamilie, die het vak van zijn vader leerde. Hij had ook een jongere broer, Johannes Franciscus Spohler (1853-1923). Die leerde, omdat zijn vader al jong stierf, het schildersvak op zijn beurt van hem. Ze waren alledrie romantische schilders en omdat die stijl, bij de opkomst van impressionisme na 1860, als hopeloos verouderd beschouwd werd, raakten de Spohlers enigszins in de vergetelheid. Waardoor, tot in onze eeuw toe, veel kunstkenners dachten dat er maar één schilder was met die naam. Alle Spohlers werden dus op een hoopje gegooid en pas in de jaren zestig van de vorige eeuw werd dit misverstand opgelost.
“Een wintergezicht van Spohler”, schreef het Rotterdamsch Nieuwsblad in 1925, “is vol van een atmosfeer waarnaar velen in hun huis terugverlangen. Al helemaal nu die atmosfeer buitenshuis is verdwenen.” Vier jaar later lezen we in diezelfde krant: “Tegenwoordig is deze kunst weer meer in trek dan een tiental jaren terug en het is niet gemakkelijk, daarvoor een verklaring te vinden, of het zou moeten zijn dat het een reactie is op wat het groote publiek als excessen van de modernen beschouwt. Iedereen kan Spohlers schilderijen namelijk gemakkelijk ‘aflezen’ en ze verleenen onze binnenkamers een zekere intimiteit.” Weer zes jaar later, in 1935, lezen we in het Rotterdamsch Nieuwsblad: “Er is bij Spohler iets in de kleur, dat aangedikt is, men krijgt er eigenlijk zoo’n beetje het gevoel bij, dat de wereld van toen er een was van enkel brave Hendriken. De schilderijen hebben echter een kwaliteit, die ze steeds bij een bepaald publiek waardeering heeft verschaft, ook toen de tijden veranderden. Want ze waren vakbekwaam gemaakt en getuigden van goed handwerk.”
Terug naar Jacob Jan Coenraad Spohler. Op veel van zijn kunstwerken verworden de mensen, de schaatsers en ook de wandelaars op de oevers, tot schaduwen. Zijn nevelige schilderijen zijn een ode aan de eeuwige natuur, de mensen zijn bij hem (en bij veel van zijn collega-schilders uit die tijd) wezens van voorbijgaande aard. Ze lijken als schimmen te zweven over het donkere ijs dat de wolkenlucht boven hen weerspiegelt. Een alom aanwezige hemel.
Naschrift:
Het is opmerkelijk te zien hoe de krantenberichten in ons land (die terug te vinden zijn in het archief van de website ‘Delpher’) tot 1964 vooral inhoudelijke informatie verschaffen over de tentoongestelde werken van de Spohlers. Na dat jaartal worden vooral de prijzen van de schilderijen beklemtoond. Niet alleen als het om veilingen van ‘Spohlers’ gaat, maar ook bijvoorbeeld als er bij een inbraak een schilderij van een van de Spohlers gestolen wordt. Ook dan wordt met name de geldwaarde van het ‘object’ beklemtoond.
